Toen Box 3 in 2001 werd geïntroduceerd, was het in zijn eenvoud bijna elegant. Weg met de ingewikkelde vermogensvergelijkingen, weg met de discussie over werkelijk rendement, kosten en verliezen. Daarvoor in de plaats kwam een helder uitgangspunt: wie vermogen heeft, behaalt rendement, en dat rendement belasten we forfaitair. Geen administratie, geen discussie, geen grijze gebieden. Voor burgers begrijpelijk, voor de Belastingdienst uitvoerbaar en voor de wetgever overzichtelijk. Box 3 was, zeker in zijn beginjaren, een schoolvoorbeeld van hoe eenvoud en uitvoerbaarheid hand in hand konden gaan.
Maar eenvoud is kwetsbaar. Het systeem was gebaseerd op aannames die lang redelijk waren: spaarrentes van een paar procent, beleggers die gemiddeld genomen rendement maakten, en een economisch klimaat waarin het forfait niet te ver afstond van de werkelijkheid. Die wereld bestaat inmiddels niet meer. Spaarrentes kelderden richting nul (en zelfs daaronder), terwijl het forfaitaire rendement vrolijk door bleef rekenen met percentages die weinig relatie hadden met de realiteit van spaarders. Wat begon als een pragmatische vereenvoudiging, begon te wringen – eerst zachtjes, later steeds luider.
De rechtspraak trok uiteindelijk aan de bel. Het fundamentele bezwaar was niet dat de wetgever forfaits gebruikt, maar dat die forfaits structureel en op grote schaal losgezongen raakten van de werkelijkheid. Daarmee werd Box 3 niet langer gezien als een praktische benadering, maar als een stelsel dat in individuele gevallen onredelijk en zelfs onrechtvaardig uitpakte. Het antwoord van de wetgever daarop was echter geen fundamentele herziening, maar een reeks noodverbanden.
Wat volgde was een periode van plak- en knipwerk. Nieuwe forfaits, nieuwe vermogenscategorieën, overgangsregelingen, tegenbewijsregelingen en tijdelijke oplossingen die permanent dreigen te worden. Elk arrest werd beantwoord met een reparatie, maar zelden met een visie. Het resultaat is een Box 3 die steeds minder lijkt op een samenhangend stelsel en steeds meer op een juridische lappendeken. Voor belastingplichtigen is het nauwelijks nog uit te leggen waarom twee mensen met hetzelfde vermogen, maar een iets andere samenstelling, zo verschillend worden belast. Voor adviseurs is Box 3 verworden tot een technisch mijnenveld, waarin rechtsherstel, bezwaarprocedures en voorlopige aanslagen de dagelijkse praktijk bepalen.
En dan is er de toekomst. Vanaf 2028 staat – althans op papier – een stelsel op basis van werkelijk rendement in de steigers. In theorie klinkt dat als de ultieme rechtvaardigheid: belasten wat je daadwerkelijk verdient, niet wat de wetgever veronderstelt dat je verdient. In de praktijk roept dit vooral vragen op. Hoe bepaal je rendement bij illiquide beleggingen? Wat doe je met waarde schommelingen die nooit zijn gerealiseerd? Hoe ga je om met kosten, verliezen en timingverschillen? En misschien wel de belangrijkste vraag: is dit uitvoerbaar, zowel voor belastingplichtigen als voor de Belastingdienst?
Beleggers kijken dan ook met angst en beven naar wat komen gaat. Niet alleen vanwege een mogelijk hogere belastingdruk, maar vooral vanwege de onzekerheid. Box 3 was ooit voorspelbaar. Je wist waar je aan toe was. Die voorspelbaarheid is inmiddels verdwenen en lijkt ook in het nieuwe stelsel niet vanzelf terug te keren. Ironisch genoeg is daarmee precies verloren gegaan wat Box 3 ooit zo aantrekkelijk maakte: rust, eenvoud en duidelijkheid.
Misschien is dat wel de belangrijkste les van ruim twintig jaar Box 3. Eenvoud is geen zwakte, maar een kracht. En wie die kracht langzaam uitholt, loopt het risico te eindigen met een systeem dat noch rechtvaardig, noch uitvoerbaar, noch begrijpelijk is. De komende jaren zullen uitwijzen of de wetgever die les alsnog ter harte neemt.
